Nieuwe publicatie

De behandelingsopties van een hydrocefalus na een eerdere endoscopische derde-ventriculostomie (ETV)
Met trost presenteert het KNNN de eerste publicatie van de kinderneurochirurgische studie groep, een onderdeel van het KNNN. Deze Dutch Pediatric Neurosurgery Study Group is een samenwerkingsverband van alle kinderneurochirurgen in Nederland. Zij hebben onderzocht wat de optimale behandeling is voor kinderen met hydrocephalus, bij wie een eerste ‘endoscopische derde-ventriculostomie’ niet het beoogde resultaat gaf.

In de verschillende hersenkamers wordt dagelijks ongeveer 500mL hersenvocht aangemaakt. Dit hersenvocht stroomt via de hersenkamers naar de ruimte rondom de hersenen (de subarachnoïdale ruimte) en het ruggenmerg en wordt uiteindelijk weer opgenomen in een grote ader tussen de beide hersenhelften. De aanmaak en opname van hersenvocht is normaal gesproken in evenwicht.
Wanneer de doorstroming van hersenvocht wordt belemmerd of wanneer het hersenvocht niet goed kan worden opgenomen, kunnen de hersenkamers uitzetten en neemt de druk in het hoofd toe (hydrocefalus). Er kunnen dan klachten ontstaan zoals hoofdpijn, braken, wazig zien en sufheid.

Om deze vormen van hydrocefalus te behandelen, moet het hersenvocht op de een of andere manier weer uit de hersenkamers gehaald worden. Dit kan grofweg op twee manieren.
Allereerst kan er een drain geplaats worden die het hersenvocht naar bijvoorbeeld de buikholte of het hart afvoert. Dit is een goede optie, maar heeft onder andere als nadeel dat kinderen altijd afhankelijk zijn van de drain, wat inhoudt dat wanneer de drain niet meer goed werkt, de hersendruk direct weer op zal lopen en de klachten terug zullen keren.
De andere optie is het maken van een nieuwe verbinding om de obstructie te omzeilen. Door middel van een kijkoperatie (endoscopie) wordt een openingetje gemaakt in de bodem van de derde hersenkamer (ventriculostomie). Deze endoscopische derde-ventriculostomie (ETV) zorgt ervoor dat het hersenvocht direct naar de subarachnoïdale ruimte kan stromen.

Door middel van een scoremodel, de Endoscopic Third Ventriculostomy Success Score (ETVSS), kan voorafgaand aan de operatie berekend worden wat de slagingskans van de ETV is. Hierbij wordt gekeken naar de leeftijd, de oorzaak van de hydrocefalus en of er eerder al een drain is geplaatst.
Dit onderzoek van de kinderneurochirurgische studie groep, onder leiding van dr. Gerben Breimer en professor Eelco Hoving, laat zien dat wanneer de eerste ETV toch niet het beoogde effect meer heeft en het kind opnieuw klachten krijgt die passen bij een verhoogde hersendruk, er door middel van deze score opnieuw een slagingspercentage voor een tweede ETV berekend kan worden. Indien op basis van deze score wordt besloten om opnieuw een ETV uit te voeren, blijkt dat de tweede operatie net zo veilig en net zo effectief is als de eerste ETV.


Lees hieronder het abstract (Engelstalige samenvatting):
OBJECTIVE After endoscopic third ventriculostomy (ETV), some patients develop recurrent symptoms of hydrocephalus. The optimal treatment for these patients is not clear: repeat ETV (re-ETV) or CSF shunting. The goals of the study were to assess the effectiveness of re-ETV relative to initial ETV in pediatric patients and validate the ETV success score (ETVSS) for re-ETV.
METHODS Retrospective data of 624 ETV and 93 re-ETV procedures were collected from 6  neurosurgical centers in the Netherlands (1998–2015). Multivariable Cox proportional hazards modeling was used to provide an adjusted estimate of the hazard ratio for re-ETV failure relative to ETV failure. The correlation coefficient between ETVSS and the chance of re-ETV success was calculated using Kendall’s tau coefficient. Model discrimination was quantified using the c-statistic. The effects of intraoperative findings and management on re-ETV success were also analyzed.
RESULTS The hazard ratio for re-ETV failure relative to ETV failure was 1.23 (95% CI 0.90–1.69; p = 0.20). At 6 months, the success rates for both ETV and re-ETV were 68%. ETVSS was significantly related to the chances of re-ETV success (τ = 0.37; 95% bias corrected and accelerated CI 0.21–0.52; p < 0.001). The c-statistic was 0.74 (95% CI 0.64–0.85). The presence of prepontine arachnoid membranes and use of an external ventricular drain (EVD) were negatively associated with treatment success, with ORs of 4.0 (95% CI 1.5–10.5) and 9.7 (95% CI 3.4–27.8), respectively.
CONCLUSIONS Re-ETV seems to be as safe and effective as initial ETV. ETVSS adequately predicts the chance of successful re-ETV. The presence of prepontine arachnoid membranes and the use of EVD negatively influence the chance of success.


Artikel link: https://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/28708018


Breimer GE, Dammers R, Woerdeman PA, Buis DR, Delye H, Brusse-Keizer M, Hoving EW; Dutch Pediatric Neurosurgery Study Group.

Endoscopic third ventriculostomy and repeat endoscopic third ventriculostomy in pediatric patients: the Dutch experience.

J Neurosurg Pediatr. 2017 Oct;20(4):314-323