Nieuwe publicatie

Verschillen in complicaties tussen de craniosynostose-operaties
Dit artikel van de afdeling kinderneurochirurgie van het Radboudumc vergelijkt de resultaten van de twee operatieve mogelijkheden om craniosynostose te behandelen.

Craniosynostose, ofwel het te vroeg sluiten van één of meerdere schedelnaden, geeft een afwijkende vorm van de schedel. Deze aangeboren afwijking komt voor bij 1:2000-2500 levend geboren kinderen. Het kan voorkomen in het kader van een syndromale afwijking, maar vaak is de oorzaak onbekend. Wanneer een gesloten schedelnaad wordt vastgesteld, volgt een operatie. Deze operatie wordt om twee redenen uitgevoerd: 1) Om een verhoogde druk in het hoofd te voorkomen (doordat de hersenen wel groeien, maar de schedel niet); 2) Om een mooiere vorm van het hoofd te krijgen.

De eerste operatie werd in 1890 uitgevoerd door Dr. Lannelongue. Sinds die tijd zijn er vele ontwikkelingen geweest, wat er toe heeft geleid dat er op dit moment twee soorten operaties mogelijk zijn. De eerste operatietechniek is een ‘open’ operatie (open cranial vault reconstruction surgery, OCVRS), waarbij er een grote, van oor-tot-oor lopende, snee op het hoofd wordt gemaakt. Vervolgens kan het aangedane gedeelte van de schedel worden verwijderd en weer in model worden gebracht, waarna het weer wordt teruggeplaatst. Deze operatie duurt 4 tot 6 uur. De tweede operatietechniek, de endoscopische operatie (endoscopically assisted craniosynostosis surgery, EACS), is relatief nieuw en een stuk minder ingrijpend, aangezien tijdens deze operatie alleen de aangedane schedelnaald geopend wordt. Doordat de reconstructie zelf niet plaatsvindt tijdens de operatie, volgt hierna een maandenlange helmtherapie, om zo uiteindelijk een goede schedelvorm te krijgen.

Uit eerder onderzoek is gebleken dat beide operaties even goed de vorm van de schedel kunnen corrigeren, maar wat nog onduidelijk is, is of er ook minder complicaties voorkomen bij de endoscopische operatie. Daarom hebben artsen en onderzoekers uit het Radboudumc dit onderzoek uitgevoerd met de gegevens van de kinderen die in het Radboudumc zijn geopereerd.
Zij komen tot de conclusie dat alhoewel het er op lijkt dat er minder complicaties zijn bij de endoscopische operatiemethode, dit nog niet met zekerheid vast te stellen is. Van de complicaties die opgetreden zijn, heeft geen enkele geleid tot een langere opnameduur of vervelende lange termijn gevolgen voor het kind. Wat wel duidelijk is, is dat er minder bloedtransfusies nodig zijn bij de endoscopische operatie. Dit komt doordat de operatie minder ingrijpend is en minder lang duurt.
Op basis van deze gegevens is de endoscopische operatie gevolgd door helmtherapie in het Radboudumc nu de voorkeurstherapie bij kinderen onder de zes maanden.


Lees hieronder het abstract (Engelstalige samenvatting):
OBJECTIVE
To compare minimally invasive endoscopic and open surgical procedures, to improve informed consent of parents, and to establish a baseline for further targeted improvement of surgical care, this study evaluated the complication rate and blood transfusion rate of craniosynostosis surgery in our department.
METHODS A prospective complication registration database that contains a consecutive cohort of all pediatric neurosurgical procedures in the authors’ neurosurgical department was used. All pediatric patients who underwent neurosurgical treatment for craniosynostosis between February 2004 and December 2014 were included. In total, 187 procedures were performed, of which 121 were endoscopically assisted minimally invasive procedures (65%). Ninety-three patients were diagnosed with scaphocephaly, 50 with trigonocephaly, 26 with plagiocephaly, 3 with brachycephaly, 9 with a craniosynostosis syndrome, and 6 patients were suffering from nonsyndromic multisutural craniosynostosis.
RESULTS A total of 18 complications occurred in 187 procedures (9.6%, 95% CI 6.2-15), of which 5.3% (n = 10, 95% CI 2.9-10) occurred intraoperatively and 4.2% (n = 8, 95% CI 2.2-8.2) occurred postoperatively. In the open surgical procedure group, 9 complications occurred: 6 intraoperatively and 3 postoperatively. In the endoscopically assisted procedure group, 9 complications occurred: 4 intraoperatively and 5 postoperatively. Blood transfusion was needed in 100% (n = 66) of the open surgical procedures but in only 21% (n = 26, 95% CI 15-30) of the endoscopic procedures. One patient suffered a transfusion reaction, and 6 patients suffered infections, only one of which was a surgical site infection. A dural tear was the most common intraoperative complication that occurred (n = 8), but it never led to postoperative sequelae. Intraoperative bleeding from a sagittal sinus occurred in one patient with only minimal blood loss. There were no deaths, permanent morbidity, or neurological sequelae.
CONCLUSIONS Complications during craniosynostosis surgery were relatively few and minor and were without permanent sequelae in open and in minimally invasive procedures. The blood transfusion rate was significantly reduced in endoscopic procedures compared with open procedures.


Artikel link: https://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/29171801
Arts S, Delye H, van Lindert EJ.

Intraoperative and postoperative complications in the surgical treatment of craniosynostosis: minimally invasive versus open surgical procedures.
J Neurosurg Pediatr. 2018 Feb;21(2):112-118. doi: 10.3171/2017.7.PEDS17155.